Archeoloog Wim Tiri zit in ons onroerenderfgoeddepot tussen de scherven. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
Het einde van het jaar nadert en dat is voor velen het moment om uit te pakken met jaaroverzichten. Maar om voor mezelf een top vijf te maken van de bijzonderste scherven / objecten van 2025, da’s een lastige opdracht. Welk waren voor mij de kleurrijkste scherven, welk was de mooiste kruik of wat was het meest vreemde object van 2025? Ik heb immers dit jaar weer veel moois mogen determineren en kan aan vele vondsten vaak een mooi verhaaltje ophangen. Toch moest ik een keuze maken, ziehier mijn persoonlijk jaaroverzicht voor 2025 en mijn top vijf van de voor mij meest boeiende stukken uit het voorbije werkjaar…
In 2025 heb ik me dit jaar vooral beziggehouden met de inventarisatie van het vondstenmateriaal uit de opgraving Zegeplein (Adak) en de laatste vondsten uit de opgraving Jacobsmarkt. In april kreeg het depot de archeologische collectie uit het begijnhof van Hoogstraten in beheer. Deze collectie maakt nu deel uit van een groots inventarisatieproject. En ondertussen passeren in de vrije momenten de meest boeiende stukken in de blogs van ‘Ondergrondse Geheimen’.
Dankzij de hulp van verschillende stagestudenten konden vele honderden archeologisch stukken uit de opgravingen Jacobsmarkt, Turnova, en Zegeplein gefotografeerd worden. Met deze foto’s konden – samen met de doorgedreven inventarisatie van de voorbije jaren – deze objecten in de databank van KempensErfgoed.be ontsloten worden. Dit project zal ook de komende jaren verder gezet worden. Ook vonden de eerste vondsten uit de schervencollectie van het begijnhof van Hoogstraten hun weg naar dezelfde databank.
Verder was het fijn meewerken aan verschillende publieksmomenten, zoals de mini-tentoonstelling in de bibliotheek van Turnhout (die dit jaar in het teken stond van speelgoed) en de Archeologiedagen.
Zoutvaatje
In de middeleeuwen was zout essentieel voor conservering (vlees, vis) en als smaakmaker. Zout was een noodzakelijk ingrediënt in de keuken maar ook aan tafel. Of zoals Bartholomeus Engelsman in 1485 neerschreef: ‘Des souts is noot op eerdrijc want alle spise is onsmakelic sonder soute’. Aan tafel was het zoutvaatje een statussymbool voor de adel; bij de gewone man waren dit eenvoudige schoteltjes in aardewerk.
De oudste zoutvaatjes – ondiepe ronde schaaltjes op een hoge smalle voet uitgevoerd in aardewerk – dateren uit de 16de eeuw. Zo’n een exemplaar is gevonden in het begijnhof van Hoogstraten. Dit eenvoudige vaatje is aan het bakje en voet versierd met slib; hoewel eenvoudig van vorm geeft die versiering net dat ietsje meer en meteen luxueuzere indruk.
Zoutvaatje (r-zou-3), 1575 – 1650.
Roodbakkend aardewerk met slibversiering
Hoogstraten, Begijnhof (depotnr. 1994-001-0191)
Steelpan
In de huidige keuken is de steel- of bakpan haast niet meer weg te denken. Ook onze middeleeuwse voorouders hadden zulke pannen. Steelpannen in roodbakkend aardewerk met inwendig loodglazuur, kwamen het vaakst voor. Ze worden bij opgravingen vaak in afvalcontexten aangetroffen; ze waren goedkoop in aanschaf maar gingen echter niet zo lang mee (ze waren breekbaar).
De steelpannen werden gebruikt om pannenkoeken, eieren of andere gerechten in te bakken. Vlees werd vroeger haast steeds aan het spit geroosterd. Ze stonden in het open vuur, vaak op een panijzer of een metalen onderstel op drie poten. De onderzijde van de pannen is daarom door het open vuur haast altijd zwart beroet.
Bakpan met rechte zijwand en aan bovenzijde afgeplatte rand, omgeslagen steel en standvlak. Eerste helft 17de eeuw.
Roodbakkend aardewerk met loodglazuur
Turnhout, Zegeplein (depotnr. 2007_022_0114)
Kinderspeelgoed
Dat metaaldetectie bij opgravingen zijn nut heeft, tonen de vele honderden metalen voorwerpen die bij de opgraving Jacobsmarkt in Turnhout zijn teruggevonden. Vaak zijn deze objecten zo klein dat ze niet altijd met het blote oog te zien zijn. Bij de aanleg van een archeologisch vlak kwam zo dit bronzen miniatuur wafelijzer aan de oppervlakte.
Miniatuur-gebruiksvoorwerpen in metaal (meestal een legering van tin-lood) zijn vaak nauwkeurige kopieën van de dagdagelijkse gebruiksvoorwerpen. Deze werden in mallen gegoten en waren zo snel en veelvuldig te produceren. Dit miniatuurspeelgoed was erg populair in de 17de eeuw.
Dat dit wafelijzertje uitgevoerd is in brons, wijst er op dat zeker geen gewoon speelgoed was. Een optie is natuurlijk dat dit wafelijzer ook daadwerkelijk is gebruikt voor het bakken van kleine wafeltjes, al lijkt dit wel onwaarschijnlijk.
Miniatuur wafelijzer (kinderspeelgoed), 16de of 17de eeuw
Brons, plaat: 51 x 48 mm, 59,01gr.
Turnhout, Jacobsmarkt (depotnr. 2009-073-2823)
Bierflessen
Uit haast elke opgraving komen wel één of meerdere glazen bierflessen; in het depot zijn er ondertussen een honderdtal terug te vinden. En elk hebben ze hun eigen verhaal. Deze bierflessen komen uit de periode van de dorpsbrouwerijen, waarbij de afzet haast altijd binnen de dorpsgrenzen gebeurde. Plaatselijke cafés werden bevoorraad met vaten, maar nu kon bier ook gecommercialiseerd worden. Brouwerijen namen hun eigen flessen terug, lieten ze reinigen en vulden ze opnieuw. Dit was efficiënt, vooral omdat het glaswerk duur was en de brouwerij controle had over de flesvorm. Het was immers door de ontdekkingen van Louis Pasteur in het midden van de 19de eeuw dat de bierkwaliteit verbeterde en dat bier gebotteld kon worden op fles.
Rond 1900 was het vooral de beugelfles die je kon tegenkomen. Deze fles kon worden afgesloten door middel van een stop bevestigd aan een beugel. Kort voor de Eerste Wereldoorlog deed de kroonkurk haar intrede waardoor de beugelflessen al snel tot het verleden gingen behoren. Het is daarom ook niet uitzonderlijk dat zoveel flessen in die periode nutteloos werden en in de grond verdwenen (er was immers toen nog geen grootschalige recyclage zoals we dat nu kennen).
Collectie bierflessen uit de opgraving Brepols, eerste kwart 20ste eeuw
Groen vormgeperst glas
Industrieel gevormd aardewerk
Bij het archeologisch onderzoek op de site Jacobsmarkt werd een afvalkuil onderzocht die aan de hand van de vulling kon gedateerd worden tussen 1870 en 1915. Deze afvalput bevatte een grote hoeveelheid aan industrieel aardewerk, afkomstig uit de fabrieken van Nimy (Mouzin Lecat) , Jemmapes (Faïencerie de Jemmapes), La Louvière (Boch Frères Keramis), Maastricht (Société Céramique en Petrus Regout). In mindere mate was er ook witbakkend en roodbakkend aardewerk naast glaswerk. Opvallend bij het gebruiksaardewerk was de totale afwezigheid van ‘kookgerei’.
Representatief voor deze afvalkuil is deze sierlijke koffiekan in industrieel witbakkend aardewerk. En hoewel dit een object is van iets meer dan honderd jaar oud, en voor velen ‘recent’ oogt, is het net dit materiaal dat het voor mij tot boeiend studiemateriaal maakt. Want wij denken dat we veel weten over ons recent industrieel verleden, echter het tegendeel is waar. Wij weten spreekwoordelijk meer over een prehistorische vuistbijl dan dit soort aardewerk. Bij deze is het dan ook een warme oproep om ook aan dit recentere materiaal de nodige aandacht te besteden.
Peervormige koffiepot in industrieel aardewerk met hoge rechte hals, naar buiten geknikte rand, verticaal aangezet vormoor, giettuit (in de vorm van een vogel) en hoge standring (iw-kof-1). Engeland (?), 1750 – 1800
Industrieel witbakkend aardewerk, 9,9 x 12,7 x 25,3 cm
Turnhout, Jacobsmarkt (S433) (depotnr. 2009_073_0503)
















