Archeoloog Wim Tiri zit in ons onroerenderfgoeddepot tussen de scherven. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
Het citaat van Koning Willem II vat perfect samen hoe cruciaal de Maastrichtse aardewerkproductie was voor de Nederlandse economie in de 19de eeuw. Terwijl de rest van de Nederland nog grotendeels agrarisch was, veranderden de aardewerkfabrieken de stad Maastricht in een industriële grootmacht van Europese allure. De productie mocht dan wel revolutionair zijn, toch had het ook een keerzijde. Zo werd Petrus Regout in de volksmond de Pottekeuning genoemd. Hij was immers de eerste die op grote schaal de Engelse methode voor bedrukt aardewerk (transferware) toepaste, waardoor Maastrichtse borden en serviezen over de hele wereld – van Nederlands-Indië tot in Japan – te vinden waren. Hoewel Regout werd geprezen door de koning, stond hij ook bekend om de harde arbeidsomstandigheden. Een ander bekend gezegde onder de arbeiders was: handelen als een Regout, wat stond voor extreme zuinigheid en het tot het uiterste uitknijpen van werknemers. Maar de invloed van de aardewerkfabrieken in Maastricht was zo groot dat deze stad bekend kwam te staan als de “keramiekstad”.
Van plateel naar fabriek
De verschuiving van ambachtelijk aardewerk naar industriële productie in de 19de eeuw markeerde een cruciaal punt in de Europese geschiedenis. Wat begon als een luxe voor de elite, werd door mechanisatie en schaalvergroting bereikbaar voor de gewone burger. Het arbeidsintensieve handbeschilderde Delfts blauw kon de concurrentie met het goedkope, sterke Engelse creamware niet meer aan. Voor de productie van industrieel aardewerk werden stoommachines ingezet voor het malen van grondstoffen en het aandrijven van de draaischijven.
Voor de productie van industrieel aardewerk wordt geen traditionele klei gebruikt. Wel wordt een mengsel gemaakt van witte klei (kaolien), kwarts en veldspaat dat vermengd wordt met water tot een vloeibare substantie, de slik of kleipap. Deze pap wordt in gipsen mallen gegoten. Het gips zuigt het water op, waardoor een laagje klei tegen de wand uithardt. Het grote voordeel van deze mallen is dat elk object een zelfde grootte en gewicht heeft. Wanneer de kleivormen gedroogd zijn, kunnen deze in de oven voor de biscuitbrand (rond de 1100°C). Daarna worden de vormen overtrokken met loodglazuur en kunnen ze gedecoreerd worden door middel van transferprints. In plaats van elk object met de hand te beschilderen, wordt een decor vanaf een koperplaat op vloeipapier gedrukt en op de vorm geplakt. De inkt trekt in de poreuze klei en het papier wordt eraf gewassen (denk hierbij aan de versiering bij maquettebouw, wat een gelijkaardig proces is). Tenslotte gaan de vormen voor een tweede keer in de oven waarbij het glazuur versmelt met de opgebrachte decoratie tot een glanzend en waterdicht geheel.
Bij onze noorderburen groeide Maastricht uit tot het absolute centrum van de Nederlandse keramiek. Terwijl Maastricht het onbetwiste centrum in Nederland was, had België met Boch Frères in La Louvière een evenknie van wereldformaat.
De Nederlandse motor: Maastricht
Maastricht groeide uit tot het absolute centrum van de Nederlandse keramiek. Dit was grotendeels te danken aan Petrus Regout, die in 1834 begon met de productie van glas en kristal, maar al snel overstapte op aardewerk. De fabriek van Regout (later bekend als Sphinx) was één van de eerste grootschalige industrieën in Nederland. Het was een stad in een stad, met enorme ovengebouwen en een strakke hiërarchie. Op het eind van de 19de eeuw kreeg Regout concurrentie van de Société Céramique. De strijd tussen deze twee reuzen zorgde voor een enorme innovatiedrang en een gigantische export naar alle uithoeken van de wereld. Maar er was ook een keerzijde aan het keramiekverhaal van Maastricht: kinderarbeid en extreem zware omstandigheden in de hel van de ovens waren tot diep in de 19de eeuw aan de orde van de dag.
Het Belgische antwoord: Boch Frères (Keramis)
Terwijl Maastricht de Nederlandse markt domineerde, gebeurde in België iets soortgelijks in La Louvière. Hier werd in 1841 de fabriek Boch Frères Keramis opgericht door de familie Boch. La Louvière had een gunstige ligging nabij steenkoolmijnen (essentieel was voor het stoken van de enorme ovens) en transportwegen (ideaal voor de verkoop). Waar Maastricht zich vooral richtte op massaproductie voor de gewone man, combineerde La Louvière industrieel succes met artistieke hoogstandjes. Ze werden wereldberoemd om hun Delft de La Louvière en later hun art-deco vazen van Charles Catteau.
De industriële revolutie zorgde ervoor dat een arbeidersgezin dat voorheen uit een houten bak at, zich nu een versierd bord van aardewerk kon veroorloven. Tegelijkertijd verdween hiermee de charme van het unieke, handgemaakte stuk ten gunste van de uniformiteit van de machine.
In een volgende blog zetten we enkele objecten uit het archeologisch erfgoeddepot van Erfgoed Noorderkempen in de kijker.
Info bij de afbeeldingen:
- Afb. 2: Sphinx-aardewerkindustrie: Tonwolf voor het mengen van de grondstof (witte klei , kwarts en veldspaat) voor de aardewerkfabricage, 1925-1935 (Beeldbank Historisch Limburg, nr. 11566)
- Afb. 3: Sphinx-aardewerkindustrie: Decoratie van het aardewerk door middel van de transfertechniek, 1925-1935 (Beeldbank Historisch Limburg, nr. 11593)
- Afb. 4: Sphinx-aardewerkindustrie: Het vullen van de met kolen gestookte rondovens met kokers vol met aardewerk door de encasterploeg, 1900-1910 (Beeldbank Historisch Limburg, nr. 11564)
- Afb. 5: Ovenzaal in Museum Keramis (La Louvière). Deze aardewerkovens bevonden zich in de Boch-fabriek en werden gebouwd tussen 1870 en 1900. Ze bleven in gebruik tot kort na de Tweede Wereldoorlog (Foto: Keramis)
- Afb. 6: ‘Catalogue général Manufacture de faïence de Keramis Boch Frères‘, 1916
- Afb. 7: Suzane Bilot in het decoratieatelier van Charles Catteau in de fabriek van Boch Frères (Archives Keramis)
- Afb. 8: Collectie kannen uit de opgraving Jacobsmarkt in industrieel witbakkend aardewerk, te dateren tussen 1870 en 1915.













