Archeoloog Wim Tiri zit in ons onroerenderfgoeddepot tussen de scherven. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
Bij archeologisch onderzoek in de Kempen zijn plaggenputten ontzettend dankbare objecten. Omdat de Kempen van nature een zandig en droog landschap zijn, was toegang tot schoon grondwater essentieel voor de vroege boerengemeenschappen. Een plaggenput is een knap staaltje prehistorische en middeleeuwse techniek.
Een plaggenput is een waterput waarbij de wand is opgebouwd uit plaggen. Dit zijn uitgestoken zoden van gras of heide; bestaande uit de grasplanten, de wortels en de daaraan klevende grond. Wanneer boeren in de ijzertijd, Romeinse tijd of vroege middeleeuwen een waterput groeven, stuitten ze in de Kempen op los, instabiel zand. Om er voor te zorgen dat de put niet meteen weer instortte, moesten de wanden worden verstevigd. Hout (zoals een uitgeholde boomstam of planken) was kostbaar of niet altijd direct voorhanden. Heide- of grasplaggen waren er in de Kempen in overvloed.
Vooreerst werd een trechtervormig gat tot onder de grondwaterspiegel gegraven. Om de plaggen stabiel te kunnen stapelen, werd er vaak eerst een stevige, ronde basis op de bodem gelegd. Vaak waren dit een houten wiel of de velg van een oude kar (waarvan de spaken waren verwijderd). Dit karrenwiel diende als waterpas en fundering. Daarna werden de plaggen met de gras- of heidezijde naar buiten (tegen de zandwand) gestapeld. De dichte wortels werkten als een perfect natuurlijk filter: het grondwater sijpelde door de plaggenwand heen de put in, terwijl het zand werd tegengehouden. Zo bleef het water helder. In tegenstelling tot een vaste boomstamput, kon men met plaggen heel flexibel bouwen en de put zo breed of zo diep maken als nodig.
Voor een archeoloog is een oude waterput zoiets als een tijdcapsule. Omdat de onderkant van deze putten diep in de grond zit – ver onder de grondwaterspiegel – is de bodem constant nat en zuurstofarm. Dit zorgt voor een perfecte conservering van organisch materiaal dat normaal gesproken volledig zou vergaan zijn. Zo kan uit de (vulling van) waterputten door de archeologen interessante informatie gehaald worden. De plaggen bevatten vaak nog de stuifmeelkorrels, zaden en plantenresten uit de tijd dat ze werden uitgestoken. Hierdoor kan het landschap gereconstrueerd worden zoals het er destijds uitzag. Wanneer een put droogviel of het water ondrinkbaar, werd deze vaak afval gevuld. Dit materiaal geeft dan weer een beeld hoe er geleefd werd op de site. En soms werd het buiten gebruik stellen van een put bezegeld met een ritueel waarbij er complete potten, munten of zelfs hondenschedels bewust werden achtergelaten als offer voor de ‘onderwereld’ of de watergeesten.
Dobbelier of mosterdschoteltje
Uit plaggenput S 5.1 kwamen twee opvallende voorwerpen: een beugelbal en een licht beschadigde dobbelier / doblier of mosterdschoteltje. Dit schoteltje heeft een diameter van 9,5 cm, is circa 1,5 cm hoog en weegt 153 gr.
Een dobbelier kenmerkt zich door een vrij diepe bodem met een kleine umbo (verdieping) en een relatief brede, platte rand (de ‘vaan’). Formaat-technisch zit het een beetje tussen een modern diep bord en een schoteltje in (vaak met een doorsnede van zo’n 10 tot 15 centimeter). Waar de benaming dobbelier vandaan komt, is niet bekend. In het oud Middelnederlands gebruikte men de term ‘dobbe’, wat een put gevuld met water betekent. Wellicht kan deze term aan de grondslag liggen van de term dobbelier, gezien de verandering van een platte teljoor naar een verdieping erin.
In de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd was tinnen serviesgoed een statussymbool voor de opkomende burgerij. Het was duurder en chiquer dan het eenvoudige aardewerk of hout van de armen, maar betaalbaarder dan zilver. Binnen een tinnen tafelservies had elk type bord een eigen naam op basis van het formaat en de diepte (zoals telg, schotel, plor of dobbelier). De dobbelier was een multifunctioneel gebruiksvoorwerp dat in bijna elk huishouden van stand te vinden
Omdat een dobbelier dieper was dan een gewone platte telg (bord), was het perfect geschikt voor gerechten waar vocht of saus bij zat, maar die te klein waren voor een grote soepkom. Ze werden vooral gebruikt voor het serveren van boter, vet, smout, kruiden en vooral mosterd (Mosterd werd destijds veel gebruikt omdat het een ontsmettende werking heeft tegen bacteriën die volop aanwezig waren in het voedsel). Dergelijke dobbeliers stonden op tafel en men kon er zijn eten (o.a. vlees) in soppen.
Het schoteltje uit Vlimmeren is bovenop de rand gemerkt met een ‘gekroonde hamer’. Dit hamermerk had een verspreidingsgebied dat Frankrijk en de Nederlanden omvatte en een keurmerk was voor de beste tinkwaliteit, het fijne tin. Het was immers belangrijk dat tin zuiver was en niet teveel met lood werd aangelengd. Om dit gehalte te garanderen, moesten de tinnegieters hun producten keuren.
Over de oorsprong van dit keurmerk bestaat geen eensgezindheid. In vele ordonnanties is er bij de kwaliteilsbepalingen sprake van gehamerd tin dat met het hamermerk gemerkt moest worden. Zo verwerkten in 1469 de Doornikse tinnegieters als beste kwaliteit het zogenaamde estain batich, bestaande uit een legering van zuiver tin en een weinig koper. Een dergelijke benaming wijst er op dat deze beste kwaliteit ook effectief met de hamer bewerkt werd. Het hameren van tin om het metaal een steviger structuur te geven, kon uiteraard alleen maar toegepast worden op platwerk zoals borden en schotels. Er was dus een relatie tussen het hamermerk en het hameren van tin, en was het hamermerk dus een kwaliteitsmerk. Dit blijkt ook uit een vonnis van de Antwerpse magistraat van 26 oktober 1473 in een geschil van tinnegieter Bertel de Haze met het ambacht. Deze tinnegieter had tinwerk te koop aangeboden dwelc nyet dan gedraeyt en was ende nochtans op geslagen vormen gegoten. Dit geslagen voorgeslagen ten had hij met het stadsmerk, de burcht, gemerkt, alsof het om enkel gedraaid werk ging, terwijl hij dit tinnegoed had moeten merken met het stadsmerk onderaan en met den hamer metten croone boven op de rand. De plaats van het hamermerk op het object is van belang bij de datering; borden die gemerkt zijn ‘op het plat’ van de voorzijde behoren tot de oudsten. Opmerkelijk is dat het dobbelier uit Vlimmeren werd gedraaid (en dus niet gehamerd) imaar toch een hamermerk kreeg. Hier stond het hamermerk daadwerkelijk voor de kwaliteit van het tin.
Er is echter ook de optie dat het hamermerk zou kunnen bepaald zijn door de hamer van Sint-Elooi, de patroon der metaalbewerkers, waarbij het attribuut door de tinnegieters voorgesteld werd als een tinnegietershamer.
Vanaf het 2de kwart van de 16de eeuw werd de hamer verdrongen door het roosmerk. Deze Tudorroos is mogelijk een verwijzing naar het uit Tudor (Engeland) afkomstige tin. In de Nederlanden werd rond het midden van de 16de eeuw het hamermerk definitief vervangen als kwaliteitsmerk. Op een paar uitzonderingen na waren de meeste ordonnanties tegen het einde van de 16de eeuw (circa 1575) in die zin aangepast. In onze streken en in Frankrijk bleef het hamermerk echter in de 18de eeuw in gebruik als kwaliteitsmerk.
Gekroonde hamer
Informatief werd er gezocht naar vergelijkbare tinnegietersmerken die in Nederland bekend zijn. De merken met gekroonde hamer zijn allemaal van onbekende gieters, waarbij ook de productieplaats onbekend is. Er is geen exacte parallel gevonden. De meestgelijkende gekroonde hamers zijn opgenomen in afbeelding 5.
- Afb. 5a: merk van een onbekende gieter, mogelijk werkzaam vanaf 1500, op een dobbelier (het gaat hier waarschijnlijk om een bodemvondst, gezien de patina). (collectie van het museum Boijmans Van Beuningen (OM 261 (KN&V))) (Dubbe 2009: p.389, nr. 8010, bron: Van Beuningen)
- Afb. 5b: merk van een onbekende gieter, mogelijk werkzaam is geweest vanaf 1450, op een schotel (bodemvondst). (Dubbe 2009, p.389, nr. 8002, bron: Beekhuizen)
- Afb. 5c: merk op de steel van een tinnen lepel (bodemvondst uit de Lage Erf te Delfshaven), datering 1475-1525. (collectie van Boijmans Van Beuningen)
- Afb. 5d: merk van een onbekende gieter die mogelijk werkte vanaf 1500 op een stapelbeker (een bodemvondst uit Reimerswaal). (Dubbe 2009, p.390, nr. 8015, bron: Van Beuningen)
- Afb. 5e: merk van een onbekende tinnegieter, mogelijk werkzaam rond 1550 op een dobbelier (bodemvondst uit Rotterdam) (Dubbe 2009: p.390, nr. 8013, bron: Van Beuningen)
- Afb. 5f: een dobbelier met gekroonde hamer (opgraving Leiden-Garenmarkt), aan de hand van het aardewerk wordt de vondst circa 1450-1525 gedateerd. (Verduin 2019)
Bovenstaande voorbeelden betreffen haast allemaal bodemvondsten. De vindplaatsen liggen in Rotterdam, Delfshaven, Reimerswaal (Zuid-Beveland) en Leiden. Eveneens uit Reimerswaal zijn nog drie bodemvondsten gekend drie varianten van merken met gekroonde hamer bekend, die minder gelijkend zijn. (Dubbe 2009, p.389-390, nrs. 8012, 8014 en 8016)
Niet vermeld in het opgravingsrapport is een dobbelier gevonden bij het archeologisch onderzoek aan de Binnenrotte in Rotterdam (afb. 6) waarbij op de rand het tinmerk ‘gekroonde hamer zonder initialen’ is aangebracht. Dit bordje is net als de objecten hierboven opgesomd gedateerd 1475 – 1525. Uit de opgraving Utrecht Ambachtstraat komt uit een beerput een dobbelier waar op de rand twee keuren zijn ingeslagen, een stadskeur en een keur met hamer en kroon. Dit bordje wordt gedateerd tussen 1450 en 1525 (Afb. 7). Eveneens uit een beerput uit de opgraving Spanjaardstraat en de Langestraat (Alkmaar) komt een dobbelier op de rand gemerkt met een gekroonde hamer. Hier ligt de datering iets vroeger, 1375 – 1450 (Afb. 8). Verder is er nog een dobbelier met hamermerk uit de opgraving Sint-Jacobsplaats (Rotterdam), een schoteltje gedateerd 1ste helft 16de eeuw (Afb. 8). Tenslotte is er een tinnen teljoor met hamermerk, stadsmerk (burcht met 3 torens) en huismerk uit de opgraving Binnenrote (Rotterdam) (Afb. 10).
Ook in de verzameling van Aad Penders, zoals gepubliceerd in het boek Aen taefele (Eten en leven in de late middeleeuwen), zitten heel wat dobbelieren en teljoren (vierkante schotels) die gemerkt zijn met de gekroonde hamer.
Helaas kon aan de gevonden dobbelier geen productieplaats of tinnegieter toegewezen worden. Op basis van de vondstlocatie, het hamermerk en het aardewerk uit de vulling van de plaggenput kan een datering tussen 1500 en 1550 vooropgesteld worden. Op basis van het hamermerk ligt de datering van het schoteltje vermoedelijk tussen het laatste kwart van de 15de en het midden van de 16de eeuw.
Over het productieproces tingieten
Onderstaand tekstdeel is overgenomen uit ‘Ambachtelijke productie in steden’ (Nederlandse Archeologische Rapporten 66), p. 70-75.
Koper, tin, lood en zink zijn niet van nature aanwezig in onze streken en moesten dus worden aangevoerd uit andere streken. Koper is de basis voor legeringen met zink of tin, die alle werden aangevoerd uit gebieden buiten de Nederlanden. De Harz is de belangrijkste potentiële leverancier van kopererts. Verder bevond zich kopererts in de streek rond Marsberg in Duitsland. Andere potentiële bronnen van koper waren verder weg gelegen in Zweden of Bohemen (Tsjechië). Zink was evenals koper veelal afkomstig uit de streek rond Dinant. Daar was een uitgebreide productie gesitueerd van allerlei religieuze en profane voorwerpen van messing (geelkoper). Doorgaans vat men deze samen onder de noemer dinanderie. Het koper dat in Wallonië bij de legering werd gebruikt, kochten de geelgieters in Keulen. Het koper was waarschijnlijk uit de Harz afkomstig. Zink kwam niet alleen uit Wallonië, ook in de buurt van Aken waren bij Stolberg zinkvoorraden. Het is niet duidelijk of messing als legering werd aangevoerd, of dat het in onze steden werd samengesteld. In Karolingisch Dorestad zijn goede aanwijzingen voor het ter plekke maken van messing. Indicatoren zijn smeltkroesjes en delen van een rooster waarop een cilindervormige windoven moet hebben gestaan. In de steden ontbreken dergelijke indicatoren, maar met een lokale productie van messing mag rekening worden gehouden.
Lood komt vrij bij diverse smeltprocessen van andere metalen. Grotere voorkomens van lood zijn in de Harz te vinden. Tin werd geïmporteerd uit Engeland, maar ook uit Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland.
Smelten van het metaal
Het smelten van metalen kon plaatsvinden in een smeltkroes of in een gietlepel boven een open vuur. Voor sommige legeringen is een oven echter noodzakelijk.
Tin werd zelden puur bewerkt, meestal werd het gelegeerd met lood. In het Engels wordt de term pewter gebruikt, dat in het Nederlands kan worden vertaald als peauter. Deze term wordt zelden gebruikt, in het Nederlands heef men het over tin. De hoeveel lood die de tinnegieter mengde met tin, verschilde per stad en per kwaliteitstype. Grofweg wordt onderscheid gemaakt in fijn tin en onfijn tin ook wel keurtin of kannetin genoemd. In het overzichtswerk Tin en tinnegieters in Nederland (Bé Dubbe, 1978) wordt van het keurtin op basis van keurboeken een overzicht gegeven. Het overzicht geef aan dat regionale verschillen bestonden. Het maximaal acceptabele percentage lood was 6%. Bij onfijn tin kon het percentage lood oplopen tot 33,3%.
Omdat tin smelt bij een lage temperatuur, 232 graden Celsius, kon worden volstaan met betrekkelijk eenvoudige, uit steen opgebouwde ovens. Later werden ovens ook van ijzer gemaakt. In een rond gat boven de oven werd een ketel of pan geplaatst waar in het tin in werd gesmolten. Ook kon een gietlepel worden gebruikt. Vaak werd tin hergebruikt en omgesmolten. Dit proces werd raffnage genoemd. Het omgesmolten tin werd ontdaan van vuiligheden door bij het smelten een vochtige groene boomtak mee te roeren of, in de nieuwe tijd, een aan een haak bevestigde rauwe aardappel. Op die manier kwam het vuile metaal bovendrijven en kon eruit geschept worden.
Gieten
Na het smelten kon de metaallegering in een gietvorm worden gegoten. De gietmal voor tin werd bij eenvoudige vormen zoals lepels en borden van koper of brons gemaakt. Mallen voor het gieten van tin werden vooraf bestreken met rode bolus (een poeder van klei en ijzeroxide) zodat het tin na het uitharden makkelijk uit de vorm loskwam. Kannen en andere ronde vormen, werden in twee helften gegoten in vormenzand waar een houten model ingedrukt was om de vorm te bepalen. Vaak vervaardigde de metaalgieter de mallen voor het gieten zelf. Voor kleinere objecten zoals pelgrimsinsignes werden ook stenen mallen gebruikt. Bij een proefsleuvenonderzoek aan de Grote Markt in Dordrecht werd mogelijk de werkplaats aangetroffen van een tinnegieter uit de late middeleeuwen of vroege 16de eeuw. Indicatoren hiervoor zijn metaalslakken of gietresten en gegoten tinnen speelgoed, zoals een ridder te paard en een miniatuur grape. Ook zijn twee halfabricaten van pseudomunten geborgen. De halfabricaten van pseudomunten zijn van lood. Tin werd gemengd met lood. Het is dus niet vreemd dat lood in de werkplaats van een tinnegieter wordt aangetroffen.
Afwerking of reparaties
Naast een oven/stookplaats was in een gieterij het volgende aanwezig: ‘een draeybanck met een radt en eenige drayiers, twee fourneyssen, eenige modellen van coper, twee giethange, seven smeltkroesen … grote vylem, kleyne vylen, handschroeven, buygtangen, bruyneer- en schrapstalen met de boogen, snyyzers, aenbeeld en groote kraenbooren.’ De afwerking ging met vijlen, beitels, raspen, schrapmessen op een draaibank (de draaicirkels zijn duidelijk te zien op het schoteltje uit Vlimmeren). Tot slot werd het gepolijst met behulp van bruneers of bruineersteen (agaatsteen) en zeepwater. Kommen werden uit gegoten borden gehamerd.
Na het afwerken verliet het product de werkplaats, maar meestal niet nadat het voorzien was van een merkteken. Het teken bestuderen kan, net als bij de studie naar lakenloodjes, inzicht geven in de verspreiding van een product en de populariteit van een bepaalde ambachtsman of streek.

Info voor bij de afbeeldingen:
- Afb. 1: Detail van de dobbelier uit Vlimmeren (foto: VEC)
- Afb. 2: Documenteren van waterputten S 5.30 (links) en S 5.1 (rechts) tijdens de uitgraving. (Foto: VEC)
- Afb. 3: Schotel met Sint-Elooi (met in de rechterhand een tinnegietershamer), Delft, 1653 (privéverzameling)
- Afb. 4: De dobbelier of mosterdschoteltje na conservering (Foto: VEC)
- Afb. 5: Tinmerken met ‘gekroonde hamer’. Bovenaan de afbeelding staat het gietersmerk op de dobbelier uit Vlimmeren; er onder de merken van onbekende gieters die beschreven zijn in de tekst (Afb: VEC)
- Afb. 6: Dobbelier met tinmerk op de rand ‘gekroonde hamer zonder initialen’. Bodemvondst Rotterdam (Binnenrotte), 1475 – 1525.
- Afb. 7: Een dobbelier of mosterdschoteltje uit beerput A (gedateerd 1450 – 1525), opgraving Ambachtstraat Utrecht. (Basisrapportage Archeologie 105), p. 73 – 74.
- Afb. 8: Keurmerk ‘de gekroonde hamer’ op een dobbelier uit een beerput in Alkmaar (gedateerd 1375 – 1450). Opgraving Spanjaardstraat en de Langestraat (RAMA 15), p. 64 en 66.
- Afb. 9: Dobbelier met hamermerk, opgraving Sint-Jacobsplaats (Rotterdam).
- Afb. 10: Tinnen teljoor met hamermerk, stadsmerk (burcht met drie torens) en huismerk (gedateerd 1500 – 1540), opgraving Binnenrotte (Rotterdam).
- Afb. 11: Piet Kramer, Interieur van tingieterij W.A. Reynders te Delft met links man die het wiel van de draaibank bedient en rechts een potkachel. Bij het raam een staande en een zittende man, bezig met het bewerken van tin, 1910. Aquarel (Museum Rotterdam, inv.nr. 89989)















