Archeoloog Wim Tiri zit in ons onroerenderfgoeddepot tussen de scherven. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
In het archeologisch depot van Erfgoed Noorderkempen en het Taxandriamuseum kunnen kinderen sinds kort op een speelse en onderzoekende manier op zoek gaan naar de ‘Schat van Turnhout’. Op spelenderwijze leren ze hoe archeologisch onderzoek werkt, maken ze kennis met topvondsten uit de Noorderkempen, ontrafelen ze een mysterieuze queeste en gaan ze op zoek naar hun schat… En zo is de queeste weer de aanzet van een nieuwe blog voor ‘Ondergrondse geheimen’ met het verhaal van ‘de gebroken sabel’.
Tijdens de zomermaanden van 2009 vond er een archeologisch onderzoek plaats op de voormalige Brepolssite aan de Baron du Fourstraat, in de zone tussen de straat en het voormalige kantoorgebouw uit 1937. De resultaten bleven voornamelijk beperkt tot een inkijk in de leefwereld van de fabrieksarbeiders die er woonden op het einde van de 19de tot het begin van de 20ste eeuw. Zo werden er funderingsresten van verschillende (kleine) arbeiderswoningen en bijhorende beerputten teruggevonden. Deze resten maakten deel uit van vier fortjes met (kleine) éénkamerwoningen rond een binnenplaats. Geen van de onderzochte woningen had een eigen sanitaire voorziening, deze waren gemeenschappelijk en bestonden uit een waterpomp en kleine aaneengesloten beerputjes waarboven zich telkens een toilet bevond.
In zone 3 – in de noordwestelijke hoek van het opgravingsterrein – situeerde zich één de vier onderzochte bouwblokken. Dit fortje verdween bij de uitbreiding van de Brepolsfabriek in de jaren ’30 van de vorige eeuw en was eigendom van de Etablissementen Brépols. Het blok was gelegen op een diep perceel met verschillende kleine éénkamerwoningen rond een langwerpige binnenplaats. Bij het archeologisch onderzoek werd slechts één keldertje teruggevonden, funderingsmuren ontbraken omdat de woningen allicht ondiep gefundeerd waren. Dit vierkant keldertje (1.8 x 1.8 m) behoorde tot ‘woning 394’ (verwijzend naar het perceelsnummer op het primitief kadaster), had een bakstenen vloertje en toegangstrap in de noordelijke wand.
Bij het uitdiepen van het archeologisch vlak werd in de sleufwand – en grenzend aan het eerder beschreven keldertje – een andere kelder aangesneden. Deze was gevuld met bouwpuin en kon niet verder onderzocht worden. In de vulling zaten voornamelijk bierflessen die kunnen gedateerd worden tussen 1875 en 1940. Opmerkelijk was echter de vondst van een fragmentair bewaarde sabel.
Het belangrijkste verschil tussen een zwaard en een sabel is dat een sabel doorgaans een gebogen lemmet heeft met één snijkant, ontworpen voor snelle slagen (vaak te paard), terwijl een klassiek zwaard recht is en twee snijkanten heeft, ideaal voor zowel steken als snijden. Een sabel wordt technisch gezien beschouwd als een type zwaard.
De sabel uit Turnhout – met een bewaarde lengte van 69 cm – is gebroken en bij de bewaarde helft ook nog eens geplooid. Ook het gevest is gedeeltelijk vervormd en slecht bewaard.
Het fragment is afkomstig van een sabel voor lagere infanterieofficieren model 1850, vanaf 1850 gebruikt door de Belgische infanterie voor de niet bereden officieren. In 1853 werd dit model ook toegewezen aan de officieren van de jagers te voet en de genie. De meeste van deze sabels waren privé-aankopen. Slechts zelden zijn ze voorzien van afnamestempels. Normaal gezien gebeurde dit enkel indien de officier niet over voldoende middelen beschikte om de aankoop zelf te bekostigen. Vanaf 1889 werden deze sabels vervangen door de sabel voor officieren model 1889.
Het lemmet had een lengte 78 cm, was licht gekromd, enkelzijdig geslepen en voorzien van een bloedgeul aan beide kanten. De tang (om het lemet aan het gevest te bevestigen) was achteraan de greepkap platgeklopt. De stootplaat bestond uit een enkel stuk gegoten messing met 1 beugel die vooraan eindigde in een naar voren gebogen schelp met boord. Het handvat was gemaakt uit hoorn waarrond messing filigraandraad 16 keer werd gewikkeld en nadien overtrokken met zwart leer en messing beslag. Bij een sabel voor een hogere infanterieofficiers was het lemmet recht, tweezijdig geslepen, was er een driedubbele bloedgeul aan beide kanten heeft het een lengte van 86 cm.
Rond de jaren 1880-1890 werden de schedes van de meeste modellen Belgische sabels aangepast door het verwijderen van de onderste ring. Van bestaande schedes werd aanvankelijk enkel de ring weggenomen. Nieuw gemaakte schedes hadden enkel nog het oog op het mondstuk. Ook de schede van het sabel voor lager infanterieofficier model 1850 onderging deze verandering.
Fonson & Cie Fabricants, Bruxelles
De sabels voor het Belgische leger werden vaak vervaardigd door het familiebedrijf Fonson uit Brussel. Een afnamestempel op het lemmet onder het gevest kan dit aantonen. Sporen van deze stempel zijn echter niet te vinden op de sabel uit Turnhout.
Jean-François en Jean-Barthélémi Fonson zouden volgens advertenties het bedrijf opgestart hebben in 1827. De twee broers stonden bekend als furbishers en makers van militaire ornamenten. Het bedrijf kende na de Belgische Revolutie van 1830 door de grote vraag naar uitrusting voor het nieuwe Belgische leger. In 1865 omvat de omschrijving knopenmakers en wapens.
Rond 1845 werd het beheer overgenomen door Auguste Fonson (zoon van Jean-François) en is het bedrijf te vinden als maker van militaire uitrusting. Onder zijn leiding veranderde de naam naar Atelier Auguste Fonson. Auguste leek veel succes te hebben, want hij verkreeg een koninklijk predicaat voor zijn producten en opende verschillende showrooms, waaronder één in Nederland. Het bedrijf bestond vierentwintig jaar voordat het in 1902 Fonson & Cie werd. In 1902 nam zijn zoon Jules het bedrijf onder de naam Fonson & Cie, Jules Fonson Successeur. Na de dood van Jules in 1937 bleef het bedrijf actief maar kwam het in handen van verschillende ondernemers tot in 1959 de werkzaamheden als furbisher werden stopgezet. Tot op de dag van vandaag is er nog wel activiteit onder de naam P. De Greef Medals, een historisch medaillebedrijf dat vandaag gevestigd is in Antwerpen.
En nu is het aan de kinderen om uit te maken of deze sabel de schat van Turnhout is …
Info bij de afbeeldingen:
- Afb. 2: Overzichtsfoto van de opgegraven structuurresten van de verdwenen fortjes (bouwblokken 1 t.e.m. 3), opgraving Brepols, 2009 (Foto: Erfgoed Noorderkempen)
- Afb. 3: Detail uit het Primitief kadaster, 1826-1843. Turnhout, Sectie R, Percelen van 1 tot 622, ‘Noord Oost’ (p. 3) met situering van het onderzochte ‘bouwblok 4’ en de kelder waaruit de sabel komt. Bron: Rijksarchief.
- Afb. 4: Kelder S460 – 461, opgraving Brepols, 2009 (Foto: Erfgoed Noorderkempen)
- Afb. 5: Cilindrische bierfles met vloeiende overgang naar lange hals met verdikte afgewerkte lip, met twee kuiltjes voor beugelsluiting, standring. Vormgeperst (verticale gietnaad), groen glas. Geëtste opdruk: ‘H. BRABANTS – WESTMALLE’, na 1926 – 1940. (opgraving Brepols, kelder S460 – S461, depotnr. 2009_161_0778)
- Afb. 6: Cilindrische bierfles met vloeiende overgang naar lange hals met verdikte afgewerkte lip, met twee kuiltjes voor beugelsluiting, standring. Vormgeperst (verticale gietnaad), groen glas. Geëtste opdruk ‘L VAN RYSWYCK BROUWERIJ – WESTMALLE’, 1875 – 1940. (opgraving Brepols, kelder S460 – S461, depotnr. 2009_161_0779)
- Afb. 7: Cilindrische bierfles met licht afhangende schouder en halflange hals met licht conisch verdikte lip, met twee kuiltjes voor beugelsluiting, standring. Vormgeperst (verticale gietnaad), groen glas. In reliëfletters in cirkel rond initiaal GW op de buik: ‘H. GYSBRECHTS – WOUTERS – OUD-TURNHOUT’, 1925 – 1937. (opgraving Brepols, kelder S460 – S461, depotnr. 2009_161_0780)
- Afb. 8: Fragmentair bewaarde sabel voor Belgische onderofficieren, ijzer, messing, hoorn, 1850 – 1889 (opgraving Brepols, kelder S460 – S461, depotnr. 2009_161_1025)
- Afb. 9: Gevest van een sabel voor lagere infanterieofficier model 1850.















