Archeoloog Wim Tiri zit in ons onroerenderfgoeddepot tussen de scherven. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
Bij de restauratie van de verschillende woningen in het begijnhof van Hoogstraten in de jaren ’90 werden bij het uitgraven van de vloeren en het aanleggen van nutsleidingen heel wat scherven gevonden. Deze collectie werd in april 2025 overgedragen aan het depot van Erfgoed Noorderkempen en wordt ondertussen druk bestudeerd. Helaas is de collectie erg gefragmenteerd en kunnen er uit de scherven weinig tentoonstelbare voorwerpen gepuzzeld worden. Maar soms springen er nu en dan wat leuke stukken uit zoals een schotel afkomstig uit Friesland gevonden in woning Begijnhof nr. 25. Lees hier het verhaal over de geschiedenis van het Friese blauw…
Friesland heeft een rijke geschiedenis als het gaat om keramiek, waarbij Harlingen eeuwenlang het kloppende hart was van de kwalitatieve aardewerkproductie. Andere productiecentra in het Friese noorden waren Makkum en Bolsward. Hoewel velen bij Nederlands aardewerk direct aan Delft denken, speelde de Harlingse majolica een minstens zo cruciale rol in de Nederlandse huishoudens van de 16de tot de 19de eeuw.
De productie in Harlingen kwam in de 16de eeuw op gang, mede door de gunstige ligging aan zee en de beschikbaarheid van goede klei. Terwijl men in het zuiden nog vaak met eenvoudiger slibversierd aardewerk werkte, introduceerden pottenbakkers in Harlingen de verfijnde technieken uit Italië en Antwerpen: de majolica. Hoewel Harlingen vaak in de schaduw van Delft staat, was de kwaliteit van het Friese werk vergelijkbaar. Sterker nog, Harlingen bleef veel langer trouw aan de robuuste majolica-traditie, terwijl Delft zich meer specialiseerde in het verfijnde Delfts Blauw.
Het belangrijkste kenmerk van majolica is het gebruik van twee soorten glazuur. De voorzijde van een schotel of bord werd bedekt met een wit, dekkend tinglazuur. Dit diende als witte onderlaag voor de schilderingen. Om kosten te besparen, werd de achterzijde van het bord vaak bedekt met een goedkoper, transparant loodglazuur. Hierdoor bleef de geel- of roodachtige kleur van de gebakken klei aan de achterkant zichtbaar.
De beschildering was in de eerste helft van de 17de eeuw veelal veelkleurig en was de decoratie geometrisch van opzet, geïnspireerd op Antwerpse voorbeelden of bestond deze uit gestileerde bloemen. In de tweede helft van de 17de bestaan de decors uit grote voorstellingen met veelal bloemen en fruitschalen. Na 1675 is de decoratie minder verfijnd en gaan grote snel geschilderde florale motieven en landschappen met huisjes en bootjes overheersen. Naast blauw worden ook paars en geel veelvuldig gebruikt. In de 18de en de 19de eeuw wordt er nog steeds teruggegrepen naar de traditionele decors maar is het blauw fletser van kleur.
Welk is nu het verschil tussen de Friese majolica en het Delfts aardewerk?
Hoewel beide soorten gebruikmaken van tinglazuur om een wit oppervlak te creëren, zijn er drie cruciale verschillen. Zo is bij de Friese majolica alleen de voorkant wit; de achterkant heeft een doorzichtig loodglazuur waardoor je de geel/rode scherf (gebakken klei) ziet. Bij het Delfts aardewerk is het hele voorwerp rondom in het witte tinglazuur gedoopt en wordt daarom faience genoemd. Een ander verschil is de manier van bakken. Zo werd majolica in de oven op elkaar gestapeld met kleine driehoekige kleistutjes (zgn. proenen) ertussen. Hierdoor zie je op de voorkant van een majolicaschotel altijd drie kleine puntjes waar het glazuur weg is (de proenafdrukken). Bij Delfts blauw werden de borden in kokers geplaatst, waardoor deze beschadigingen aan de voorkant ontbreken. Tenslotte is majolica over het algemeen wat dikker en robuuster, vaak krijgt het de benaming ‘boerendelft’. Delfts aardewerk probeerde het dunne Chinese porselein te imiteren en is daardoor vaak fijner en lichter.
Fries blauw in Hoogstraten
Uit woning Begijnhof 25 komt een fragmentair bewaarde majolicaschotel. Deze heeft een scherpe knik in de overgang van spiegel (het centraal deel van de schotel) en de vlag (de buitenzijde). De brede vlag heeft een uitgebogen rand en de schotel staat op een standring. De voorzijde is volledig voorzien van tinglazuur en heeft een grove beschildering in kobaltblauw. De onderzijde is volledig bedekt met loodglazuur. De vlag is versierd met boogsegmenten en de spiegel is één groot landschap met huizen, boten en getamponeerde bomen.
Centraal de voorzijde zijn drie kleine beschadigingen in het glazuur te zien, resten van een proen gebruikt bij het stapelen voor het bakken. Opvallend is ook dat de schotel geen snijsporen vertoont, wat je kan verwachten bij gebruik. Allicht hing deze dus allicht voor de sier aan de muur in de woning.
Landschappen op schotels uit Harlingen werden oorspronkelijk aan de linkerkant afgesloten met gebouwen. Omstreeks 1690 veranderde de schikking en werden links naast de gebouwen vaak zeilschepen aan de horizon geschilderd. De stammen en de takken van de bomen werden geschilderd terwijl de opbouw van het loof met een sponsje in ronde vlakken gebeurde. Minder vaak werden de bomen met een penseel gestippeld. De randversiering speelde rond 1700 een minder belangrijke rol, veel schotels met een landschap hebben op het einde van de 17de eeuw een ongedecoreerde rand. Dit type landschapsschotel met enkele zeilschepen op de achtergrond was gedurende de hele 18de eeuw populair.
De aanwezigheid van de boogsegmenten op de rand maar de schikking met huizen rechts en bootjes links kunnen de schotel dateren in het laatste kwart (en waarschijnlijk in het laatste decennium) van de 17de eeuw . Als productiecentrum kan Harlingen zeker naar voor geschoven worden.
Woning nr. 25
Het Begijnhof van Hoogstraten werd gesticht in de late 14de eeuw. De bewoonsters, begijnen, waren vrome vrouwen die als een gemeenschap leefden, maar geen eeuwige kloostergeloften aflegden. Het hof kende een grote bloei tot een brand in 1523 haast al de woningen had verwoest. De huidige barokke aanblik stamt voornamelijk uit de heropbouw in de 17de en 18de eeuw. Na de Franse Revolutie liep het aantal begijnen terug. In 1972 overleed de laatste begijn van Hoogstraten. Het hof raakte in verval en werd zelfs met afbraak bedreigd. Nu staan er nog 36 huisjes rond een driehoekig plein, met een prachtige barokke kerk (gewijd aan Jan de Doper) en een bakhuis.
Woning nr. 25 is een halfvrijstaand enkelhuisje en zou opgetrokken in 1662 wanneer ‘”vergunt aen Maijken ende Antieken Jordaens gesusters ende begi jntiens, seecker hoff steden gelegen beneffens het huijs van mesterese Ravensteijn, om dat genoemde susters op dese hoffstede soude timmeren een nieuw huijs, het welke nu gedaen hebbende. De inwoonders van dit huijs, soo tegenwoordich als tecomende, sullen oock den ganek beneffens het huijs gelegen, altijt mogen gebruijcken“. In 1697 is de woonst verkocht aan Cahtarina van Reijmenant, in 1736 aan Maria De Clerck ‘voor soo cleijne somme verkocht om dat volgens bespreeck groote reparatie rnoedt gedaen worden’, in 1771 aan Cornelia Oomen en twintig jaar later aan Anna Cornelia Buijs.
In aanmerking nemende dat de schotel gemaakt is in het laatste decennium van de 17de eeuw, is de kans heel groot dat het Cahtarina van Reijmenant was die de schotel ter versiering tegen de muur van haar haar woonkamer of keuken heeft.
Info bij de afbeeldingen:
- Afb. 2: In het Hannemahuis in Harlingen is er een zaal volledig gewijd aan de aardewerkproductie.
- Afb. 3: Majolicaschotel met scherpe knik spiegel-vlag en brede vlag met uitgebogen rand, standring. Inwendig: tinglazuur en kobaltblauwe beschildering (vlag: boogsegmenten, spiegel: geschilderd landschap met huizen en boten, tamponering voor de bomen), uitwendig: loodglazuur. Deventercode: m-bor-1. Diam. rand 42,5 cm, H. 5,2 cm, diam. basis: 12,2 cm. Noordelijke Nederlanden (Harlingen), laatste kwart 17de eeuw. (Depot Erfgoed Noorderkempen, Begijnhof Hoogstraten, woning nr. 25, depotnr. 1994_001_0310).
- Afb. 4: Schotel met een fruitmand in een rand met boogsegmenten, blauw. Diam 35cm. Harlingen, ca. 1680. (Privécollectie, voorheen Harlingen Aardewerk Museum).
- Afb. 5: Woningen Begijnhof 25 (Sint-Philomena), 26 en 27.
- Afb. 6: Joseph-Johann-Franz Ferraris, “Carte de cabinet des Pays-Bas autrichiens levée à l’initiative du comte de Ferraris” (Kaartblad 105, Hooghstraeten – detail met het begijnhof en situering van woning nr. 25), 1771-1778 (Brussel, KBR)











