Archeoloog Wim Tiri werkt als vrijwilliger in ons onroerenderfgoeddepot. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
In het depot liggen de tafels ondertussen bezaaid met schervenmateriaal uit het begijnhof van Hoogstraten. Het is geduldig sorteren maar helaas zijn het vaak losse fragmenten die niet tot mooie voorwerpen kunnen gepuzzeld worden. Maar soms heb je aan enkele scherven genoeg om er toch een leuk verhaal over te schrijven waar nu een reukje aan zit…
De scherven zijn van een rozegeel baksel overtrokken met tinglazuur. De kalksporen op de binnenzijde verklaren mee hun afkomst: ze zijn afkomstig van een conische toiletpot met bovenaan een uitgebogen verdikte en afgeronde rand, onderaan is er een cilindrische opening. De vorm doet denken aan de hedendaagse wc-pot, maar dan als een model zonder waterspoeling. Een gelijkaardige pot werd gevonden bij een archeologisch onderzoek op de site Minderbroedersklooster in Mechelen.
Maar eerst even terug in de geschiedenis…
Tot ver in de 19de eeuw zorgde het toiletgebeuren in onze steden voor een groot probleem: hygiëne liet vaak te wensen over en de stank was vaak niet te harden. Pispotten werden immers vaak in open water of zelfs gewoon op straat leeggegoten. Ook met huishoudelijk afval ging het vaak via dezelfde weg. Hierdoor zorgden uitwerpselen en (slacht)afval voor een ideale voedingsbodem voor besmettelijke ziektes. Zo leidde cholera – een bacterieziekte die zich voornamelijk verspreidt via besmet water en voedsel – in de 19de eeuw in België en Nederland tot grootschalige sterfte.
En vaak waren het enkel de betere burgers die in hun woonst over een eigen toilet – of beter gezegd: een plank met een gat – konden beschikken. Maar ook voor hen was een bezoek aan dit kleine kamertje niet het leukste tijdverdrijf. Omdat er een rechtstreekse verbinding met de beerput was, hadden onaangename geuren vrij spel. Door het gat in de zitting met een deksel af te sluiten, kon voorkomen worden dat de stank niet te veel overheerste. In 1775 vond Alexander Cummings het waterslot (de sifon) uit. Daarmee was een directe verbinding met het riool mogelijk, maar werd de stank tegengehouden. Pas vanaf 1880 raakten de eerste ‘waterclosets’ met doorspoelmechanisme algemeen in gebruik: huizen kregen stilaan niet alleen een verbinding met het riool voor afwatering, maar ook met de waterleiding voor de aanvoer van schoon water. De eerste modellen hadden nog geen wc-bril. Die werd pas gangbaar nadat gebruikers klaagden over koude billen tijdens de wintermaanden.
Echter, tot de komst van riolering in de 19de eeuw hadden de meeste armere gezinnen slechts één emmer voorhanden, die vaak door wel tien of meer gezinsleden gebruikt werd. Steden werden dan weer geconfronteerd met arbeidersbeluiken, waar vele grote gezinnen in kleine huisjes rond een binnenplaats woonden. Daar beschikten zij vaak over één of enkele buitentoiletten. Of zoals Pierre Dirix schreef over het latrinaire gebeuren in Antwerpen:
‘Er waren vier of vijf gemeenschappelijke gemakken naast elkaar met omhooghellende bril en zonder deur. (…) In ieder huisje woonden gemiddeld vier personen ; dit maakt dat 396 mensen zich met de vier hotellekens moesten helpen ; genomen tegen éénmaal per dag werd zulke gelegenheid 80 maal per dag gebruikt. (…) Was de put vol of niet vol, de drek liep er altijd rijkelijk door het straatje.’
Bij het archeologisch onderzoek op de site Brepols (Turnhout, 2009) werden de resten van enkele beluiken teruggevonden en onderzocht. Hierbij kon worden vastgesteld dat geen van de onderzochte woningen eigen sanitaire voorziening had. Deze waren gemeenschappelijk en bestonden meestal uit gebouwtjes met kleine aaneengesloten beerputjes waarboven zich telkens een plank met een gat bevond.
De fragmenten van de toiletpot uit Hoogstraten zijn waarschijnlijk afkomstig van een buitentoilet, dat ook gedeeld diende te worden door verschillende arbeidersgezinnen die toen woonachtig waren in het voormalige begijnhof.
Info bij de afbeeldingen:
- Afb. 1: Pieter Bruegel de oudere, De spreekwoorden (detail), 1559. Olieverf op paneel (Berlijn, Gemäldegalerie, inv.nr. 1720)
- Afb. 2: Fragmenten van een toiletpot, gevonden in het begijnhof van Hoogstraten, oranje-geel baksel, tinglazuur. Hoogte ca. 23 cm, diam. rand ca. 30 cm, diam. opening onderaan ca. 14 cm. (vondstcontext: woning Begijnhof 38. Collectie Stedelijk Museum Hoogstraten, Depot Erfgoed Noorderkempen, depotnr. 1994_001_0015)
- Afb. 3: Reconstructietekening toiletpot
- Afb. 4: Een toiletpot gevonden bij het archeologisch onderzoek op de site Minderbroedersklooster in Mechelen (2005-2006)
- Afb. 5: Hendrik Bary (naar een schilderij van Frans van Meris), Gore Besje, 1657 – 1707. Ets op papier (Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-P-1904-237)
- Afb. 6: ‘Al wie kakt, en laat geen fort, Die doet sijn eigen lijf te kort.’ (afbeelding uit 1698 met satirische afbeelding over openbare toiletten), uit: J. Jeroense, Koddige en ernstige opschriften, op luyffels, wagens, glazen, uithangborden en andere taferelen, 1969, p. 9
- Afb. 7: De restanten van een gemeenschappelijk toilet zoals opgegraven op de site Brepols. Dit bakstenen toiletblok bestond uit 4 afzonderlijke hokjes met elk een eigen beerputje dat regelmatig diende leeggemaakt te worden.












